Rentmeesters aller landen

[Deze column verscheen op vrijdag 23 februari 2018 in het Friesch Dagblad. Hier als PDF.]

Er is een onzichtbare aanslag gaande op het Friese landschap. Een soort van ‘land grabbing’ op regionale schaal. Deze week stond in het andere ‘FD’, het Financieele Dagblad, dat buitenlandse investeerders een groot deel van de subsidie voor grote zonneparken opsnoepen. Als één van de weidste en dunbevolkte provincies lijkt Fryslân in dergelijke gevallen een zeer interessant zoekgebied. Dat blijkt ook: op dit moment worden op ongekende schaal plannen bij gemeenten en provincie ingediend.

Veel van deze plannen – tot honderd hectare [NB. boven de 50 MW is de Rijksoverheid het bevoegd gezag] – hebben door hun schaalgrootte een duidelijke impact op het landschap. Op een paar bijzondere locaties na, zal de acceptatie door de omgeving niet automatisch gaan. En dan druk ik mij voorzichtig uit. De ervaring van afgelopen jaren leert: er zal onrust zijn, ergernis over slechte communicatie of zelfs regelrechte boosheid van omwonenden.

De plannen die vandaag op de bureaus liggen zijn vaak groter dan die waar men gisteren tegen streed.

Het lastige is dat niemand, op een paar ambtenaren Ruimtelijke Ordening na, weet heeft van die plannen. Bedrijven en burgers zijn zich niet bewust of en wat er speelt in de eigen omgeving.

“Het delen van informatie is een sleutelfactor voor het succesvol betrekken van de omgeving en het bouwen aan vertrouwen.” schreef toenmalig minister Kamp de Tweede Kamer twee jaar geleden. Hij stelde dat bij grote projecten moet worden gewerkt “in de geest van de Omgevingswet”. De wet is nog niet klaar maar werpt zijn schaduw vooruit. Het is juist de bedoeling met de omgeving sámen een plan te maken, met de beleidsdoelen voor ogen. En niet met een buidel geld voor ogen.

De plannen die vandaag op de bureaus liggen zijn vaak groter dan die waar men gisteren tegen streed.

Waarschijnlijk hebben de buitenlandse projectontwikkelaars deze brief niet gelezen. En anders laten zij zich er weinig aan gelegen liggen. Waarom zouden ze ook? Er is subsidie en er zijn grondbezitters die hun gronden wel willen verpachten. Het informeren van de omgeving? Laat de overheid dat maar opknappen.

Zolang subsidie voor grote zonneparken zonder acceptatietoets rondgestrooid worden, is de grondeigenaar spil in dit Grote-Geld-circus.

Natuurlijk, een agrarische ondernemer die het water nu aan de lippen staat, kan niemand euvel duiden dat hij zwicht voor een goed aanbod voor zijn land. Boeren kunnen zo een vorkje meeprikken in het feestmaal van de miljardensubsidies.

Maar voor veel andere grondbezitters zou het algemeen belang, en niet de snelle winst, moeten leiden. Dat overheden land verpachten zodat bedrijven geld kunnen verdienen met een dikke rijkssubsidie, stuit mij tegen de borst. Zolang een gemeente niet zélf de energie voor haar eigen verbruik heeft veiliggesteld en de eigen dorpen en wijken niet éérst in gelegenheid heeft gesteld collectief de energievoorziening te organiseren, geeft het geen pas goede gronden voor 15 tot 30 jaar ‘weg’ te geven aan – veelal buitenlandse – bedrijven.

Voor mij zou elke organisatie met een publieke of maatschappelijke taak – ik denk dan zeker ook aan beheerders van kerkelijke grondbezit – zich niet zonder meer met deze ‘land grab’-praktijken moeten inlaten.

Wij moeten er op kunnen vertrouwen dat instellingen zich als betrokken rentmeesters opstellen. Dat de lokale opgave voor voedsel, natuur en duurzame energie wordt omarmd en niet wordt gefrustreerd in ruil voor wat penningen.

Laat het gebruik van gronden voor de energievoorziening onze gemeenschappen niet splijten maar juist verbinden.

Klimaatrechtspraak

Deze week was het weer raak. Wederom gaf een rechter het huidige regeringsbeleid rond klimaat en energie een oorveeg. Dit keer was het de Raad van State die keihard uithaalde naar de voorgenomen gaswinning. Twee jaar geleden gebeurde dat ook maar nu werd het belang van de leveringszekerheid, waarmee het vorige kabinet voortdurend schermde, niet meer klakkeloos boven de veiligheid van de inwoners van Groningen gesteld.

In niet mis te verstane bewoordingen (‘gebrekkig gemotiveerd’) vernietigt de Raad de winningsplannen. De kersverse minister Wiebes kan aan de bak. Aan hem de taak om het verdwenen vertrouwen van Groningse bevolking en bestuurders terug te winnen en hen veiligheid te garanderen.

De Raad van State staat niet bekend als een clubje activistische juristen die meedraaien met elk modieus-duurzaam windje. Sterker nog, dit is het oudste bestuursorgaan ter wereld en één van de belangrijkste adviesorganen van de regering. De Raad van State gaat niet over één nacht ijs; het wikt en weegt in de wetenschap dat er in Nederland geen hogere instantie is om een besluit te toetsen.

Dat de rechter een streep zet door kabinetsbeleid is inmiddels symptomatisch. Waar een rechter elke keer een afweging maakt vóór de veiligheid en de toekomst van burgers, kiezen achtereenvolgende kabinetten toch telkens vóór de economie en het snelle gewin.

In Nederland werd dat voor het eerst zichtbaar in 2015, met de inmiddels wereldberoemde Urgenda-uitspraak. Die uitspraak verplichtte de rijksoverheid om de uitstoot van broeikasgassen versneld terug te dringen.

Klimaatrechtspraak noemt men dat fenomeen waarin burgers, soms geflankeerd door gemeenten en klimaatorganisaties, de door hen zelf gekozen en boven hen gestelde regering moeten terugfluiten omdat internationale afspraken met voeten worden getreden, de veiligheid van burgers niet voldoende wordt gegarandeerd en het milieu niet langer wordt beschermd.

Dat dit gebeurt in landen met een lange geschiedenis van corruptie en korte ervaring met rechtstaat & democratie, verbaast ons minder. Dat wij hier in Nederland om moeten vechten voelt onwerkelijk.

Het afkalvend vertrouwen in het politieke systeem verdwijnt hierdoor nog sneller. Als we ‘Den Haag’ niet kunnen vertrouwen om in naam van alle Nederlanders de veiligheid van Groningers te garanderen, dan kunnen alle kabinetspartijen – ook de zojuist aangetreden – zich opmaken voor een hobbelige rit. Dan wordt elk beleidsvoornemen met argusogen bekeken; dan is elk besluit bij voorbaat verdacht. Dan kunnen we er niet op vertrouwen dat dit kabinet de juiste antwoorden heeft op de grote vragen die op onze samenleving afkomen, zoals de klimaatopgave.

Dat de rijksoverheid zich – met louter economische motieven – beweegt langs en óver de grenzen van onze rechtsstaat is ronduit weerzinwekkend. We mogen in onze handen knijpen dat we onafhankelijke rechters hebben die het fundament van de rechtstatelijkheid blijven bewaken.

Rechtvaardige duurzaamheid

(deze column verscheen eerder in Friesch Dagblad, vrijdag 20 oktober 2017. Hier als pdf)

 

Het aantredend kabinet zal stappen zetten om de klimaatopgave voortvarend aan te pakken en de verduurzaming van de samenleving te versnellen. Met verse maatregelen, doorgeschoven ministers en zelfs een nieuwe naam: ministerie van Economie en Klimaat. Jammer dat economie nog steeds op één staat maar goed, beter iets dan niets.

Veel van de maatregelen die de afgelopen jaren zijn genomen, gingen uit van financiële prikkels. En die stroom geld is steeds meer van de burgers richting bedrijven gegaan. Miljarden subsidie voor de biomassa in kolencentrales, miljarden aan fiscale vrijstellingen voor dure hybride leasebakken die zich verzamelen aan de voet van glimmende kantoorgebouwen. De opslagen die burgers via hun energienota’s betalen, zien we deels als winsten terugkeren op de balans van de zon- en windontwikkelaars.

Nu twee partijen van christelijken huize zitting nemen in dit kabinet, hoop ik dat ook een ander geluid dan het gerinkel van geld te horen zal zijn. Namelijk de roep om rechtvaardigheid in beslissingen over verduurzaming. Die stem verstomde meer en meer de afgelopen twee decennia, zeker onder minister Kamp. De belangrijke vraag is of CDA en ChristenUnie gaan meebrullen in het koor van de twee andere partijen (VVD en D66) die alle hoop vestigen op ‘de markt’. Of dat zij de rug rechten en een pleidooi houden voor rechtvaardige duurzaamheid.

Als we niet oppassen zal de klimaatopgave, als die wordt aangepakt volgens de wetmatigheden van de markt, langs oude breekpunten de samenleving splijten.

De klimaatopgave is groot en moet in rap tempo worden uitgevoerd. Maar we kunnen als samenleving niet hebben dat een klein groepje grote bouwbedrijven door slimme trucs met grote winsten wegloopt. We kunnen ook niet hebben dat het rijkere deel van de bevolking geholpen door forse subsidies hun huizen verduurzamen terwijl de minder gefortuneerden niet die financiële armslag hebben en daardoor naast de subsidiepot grijpen.

Rechtvaardigheid gaat verder dan een weegschaal waar men de lusten en de lasten tegen elkaar afweegt en in euro’s afrekent. Het gaat om gelijke kansen, het delen van kennis en taken, om niet-afgedwongen solidariteit, een eerlijk loon voor laaggeschoolde arbeid, waardering voor vrijwilligers, respect voor bestuurders.

En die rechtvaardigheid moet niet alleen gelden in ons land. De gevolgen van klimaatverandering worden steeds schrijnender in grote delen van de wereld, waar men minder welvarend is dan in Nederland.

Als we niet oppassen zal de klimaatopgave, als die wordt aangepakt volgens de wetmatigheden van de markt, langs oude breekpunten de samenleving splijten.

Een rechtvaardig ondernomen aanpak kan juist burgers, bedrijven en overheden verbinden. Laat dat onze opdracht zijn, laten we daarvoor dit kabinet op de huid zitten.

Een Deltaplan, maar dan groot

(eerder verschenen in Friesch Dagblad, 22 september 2017)

Na de watersnoodramp van 1953 werd duidelijk dat alleen op grote schaal de veiligheid en comfort van bewoners van Zeeland en Zuid-Holland konden worden zeker gesteld. Het Deltaplan was daarmee geboren.

De overheid legde zichzelf middels de Deltawet op een nog nooit vertoonde infrastructuur van ongekende schaal te organiseren. Gekkenwerk, zou je zeggen, Het was niet volledig duidelijk wat er precies moest gebeuren, hoe het moest, of het kon en hoeveel het uiteindelijk zou kosten. Bij elk ander project zou je zeggen: ,,Niet aan beginnen”.

De kosten die de overheid maakte voor de Deltawerken waren enorm, zeker voor die tijd. Er werd ruwweg uitgegaan van een bedrag tussen de 700 en 900 miljoen in hedendaagse euro’s. De kosten liepen in 30 jaar voortdurend op tot zes maal zo veel als begroot. Dat was in die tijd bijna 1000 euro per huishouden meer.

Toch hebben achtereenvolgende kabinetten doorgezet en uiteindelijk was het voor Nederland goed. Niet alleen houden de Zeeuwen droge voeten, waterbouwkunde en watermanagement werden sterke exportproducten. Nederlandse bedrijven trekken hiermee over de hele wereld. Succesvolle innovaties die bij aanvang niet voorzien waren trekken nog jaarlijks buitenlandse bezoekers op zoek naar antwoorden op prangende vragen over de strijd tussen water en land. Ik weet niet of het is uitgezocht – of überhaupt kan worden uitgezocht – maar het zou mij niet verbazen als de Deltawerken voor de overheidsfinanciën een uitstekende investering waren.

De ontwikkeling is niet gestopt met het slim afsluiten van de Oosterschelde. Die techniek en kennis stelt ons in staat om de gevolgen van klimaatverandering – een stijgende zeespiegel en veranderende neerslagpatronen – met enig vertrouwen tegemoet te treden. En dat voor een land dat, zonder die dijken en dammen, grotendeels weg zou spoelen.

Met het oog op de financiering van de kosten door klimaatverandering moeten we de lessen van de Deltawerken naar het heden, naar onze toekomst trekken.

We moeten de lessen van de Deltawerken naar het heden, naar onze toekomst trekken

Het recente voorbeeld van de snel dalende kosten van grootschalige windprojecten op zee is duidelijk. Áls de overheid in het groot organiseert, kan het bedrijfsleven daar op inspelen en daarmee de samenleving voor hogere kosten behoeden.

Laten we er geen doekjes omheen winden. De klimaatopgave is vele malen groter en ingewikkelder dan het Deltaplan. Er zijn enorme investeringen nodig om onze energievoorziening, onze landbouw, onze procesindustrie, onze vervoersbehoefte – eigenlijk elke economische activiteit – klimaatbestendig te maken.

Van de nood maken we zo een deugd, van een grote opgave maken we veel banen.

Op dit moment kijkt de overheid naar burgers en bedrijven om hen zelf die investeringen te laten doen. Bedrijfsprocessen moeten duurzaam, elk huis moet energieneutraal, wie het kan betalen zou elektrisch moeten rijden. Maar al deze individuele investeringsbeslissingen leiden niet snel tot innovaties, zorgen niet automatisch voor schaalgrootte, leiden vaak niet tot slimme oplossingen.

Een overheid kan als enige de risico’s nemen die nodig zijn om schaalgrootte te organiseren, innovatie en samenwerking af te dwingen. En laten we er dan voor zorgen dat dit Deltaplan ons allen aan het werk zet én houdt. Dat onze kinderen met klimaatlandbouwkunde en klimaatmanagement hun geld kunnen verdienen. Van de nood maken we zo een deugd, van een grote opgave maken we veel banen.

Laten we hopen dat ons volgend kabinet dit als geen ander begrijpt.

Warmte zonder gas

Hoe verwarmen al die Europese landen die geen Groninger gas hebben hun huizen? Al die landen die geen gasbel hebben die ze door Shell laten leeghalen en voor weinig verkopen aan burgers en bedrijven. In landen met een vergelijkbaar klimaat en demografie zoals Denemarken moet het in huis vast altijd koud zijn.

Dat valt wel mee. Het gasbelloze van kolen en stookolie afhankelijke Denemarken moest met een andere oplossing komen voor de verwarming van de huizen. En die vonden ze.

Tijdens de oliecrises in de jaren zeventig, werd in Denemarken het roer omgegooid. Met een aantal simpele regels werd de basis gelegd voor de overgang naar een duurzame warmtevoorziening.

Zo werd het bij wet verboden om winst te maken met energiesystemen, zoals de levering van warmte in een woning. Met zo’n regeling blijkt dat een coöperatieve vorm altijd goedkoper warmte levert dan overheid (nutsbedrijven) of markt (bedrijven met private investeerders). Meer dan 60 procent van de Deense huishoudens zijn aangesloten op een coöperatief warmtenet. Het grootste deel daarvan is inmiddels duurzaam. De gebruikers van het warmtenet zijn tevens de eigenaren.

Bij wet is ook vastgelegd dat overstappen naar collectieve warmte voor een huishouden geen gedoe mag zijn of duurder. In Denemarken heeft die collectieve aanpak gezorgd voor een voor consumenten heel simpel aanbod: volledige ontzorging, goedkope leningen voor de investeringen van de coöperatie en haar leden  en de zekerheid dat de kosten laag zijn.

Waarom lukt zoiets niet in Nederland?

Daar is een simpele verklaring voor. Gemak van gas-in-elk-huis heeft ons het zicht op collectieve oplossingen weggenomen. Huishoudens beginnen de individuele noodzaak te voelen om vaarwel te zeggen tegen fossiele brandstoffen maar zien tegelijkertijd niet een makkelijke of goedkope oplossing.

Terwijl, als je samenwerkt, de kosten lager worden en ‘het gedoe’ minder – dat is een simpele economische wetmatigheid.

Ironisch genoeg is een goed voorbeeld daarbij … gas. In de jaren zestig werd binnen een decennium een complete infrastructuur voor aardgas collectief aangelegd, dorp na dorp, wijk na wijk. Daardoor waren de kosten per huishouding laag. Niet alleen in de steden, ook in het buitengebied. Dat laatste: niet onbelangrijk in Fryslân.

Hoe kunnen we dit Deense model laten werken in Fryslân? Ik heb een paar stappen die ons de goede weg op moeten helpen.

Het is bizar om burgers op te roepen riskante grote investeringen te doen die beter ontzorgd én goedkoper collectief kunnen worden uitgevoerd.

Allereerst kunnen gemeenten beter stoppen met het communiceren via allerhande ‘loketten’ om burgers met incidentele subsidies op te roepen zelf ingewikkelde toeren uit te halen om hun huizen ‘van het gas af te halen’. Het is bizar om burgers op te roepen riskante grote investeringen te doen die beter ontzorgd én goedkoper collectief kunnen worden uitgevoerd.

Zorg daarbij zo snel mogelijk voor een gemeentelijk energieplan. Daarin is onder andere vastgelegd onder welke voorwaarden groepen burgers en bedrijven zelf, collectief, infrastructuur kunnen aanleggen en beheren. Laten we die infrastructuur niet aan de markt, aan private bedrijven weggeven. Dat werkte niet in Denemarken, dus laten wij daar van leren.

Maak daarbij de weg vrij voor warmtecoöperaties. Zorg voor ondersteuning, duidelijke spelregels en langjarige perspectieven. Géén subsidies voor de happy-few maar goedkope leningen voor iedereen. Laat die coöperaties met de beste Friese bedrijven oplossingen bedenken en uitvoeren. Werk genoeg de komende jaren.

 Warmte zonder gas. Het kan eerlijk, duurzaam én goedkoop. Vraag maar aan de Denen.

De paradox van de duurzame verspilling

(eerder verschenen in Friesch Dagblad, 23 juni 2017.)

Het nieuws kwam niet als een verrassing, maar toch was het een schok. Het afgelopen jaar heeft Nederland weer meer energie verbruikt en daarmee zijn eigenlijk de inspanningen om de verduurzaming van de energievoorziening tot stand te brengen grotendeels teniet gedaan. Omdat het totale energieverbruik is toegenomen, heeft de toename van het verbruik van hernieuwbare energie nauwelijks geleid tot een groter aandeel in het totale energieverbruik. Het aandeel steeg van 5,8 naar 5,9 procent, alle goede bedoelingen ten spijt. Ik durf niet eens uit te rekenen hoe lang het in dit tempo duurt voordat we in de buurt van de 50% komen. Laat staan de 100%.

Hier kan gewoonweg een wetmatigheid aan ten grondslag liggen, sterker nog, een oud fenomeen. Al ten tijde van de eerste industriële revolutie werd dat duidelijk. Het bekendste voorbeeld daarvan is de verbetering van de stoommachine. Toen James Watt zijn uitvinding naar buiten bracht, werd de inzet van kolen opeens een stuk efficiënter. Daarmee werd de mogelijkheden voor de machine opeens vele malen groter en werd het apparaat op grote schaal neergezet. Het was – voor dit tijd – een efficiënt apparaat en juist daardóór ging het gebruik van kolen opeens exploderen.

Later kreeg dit mechanisme een bijzondere naam: het Postulaat van Khazzoom–Brookes, naar de twee onderzoekers die hier onderzoek naar deden in de jaren zeventig van de twintigste eeuw, ten tijde van de oliecrises. De paradox is dat een verbetering van de efficiency van een energieproces leidt tot meer gebruik van energie in dat proces. [Khazzoom-Brookes is een bijzonder variant van het Rebound-effect]

Ook nu moeten wij, met de inspanningen die wij ons getroosten om duurzaam en efficiënt bezig te zijn met energie, helaas constateren dat die inspanningen te niet gedaan worden door het meergebruik. Iedereen kent het wel; juist omdat we goedkope en efficiëntere verlichting hebben, halen we veel meer lampen in huis. Zo branden de LED-slingers nu niet alleen met Kerstmis maar een deel van het jaar. Waarom ook niet? Batterijen en accu’s raken goedkoper zodat nu elk stuk kinderspeelgoed, vervoermiddel of apparaat stroom verbruikt.

Wellicht zit hierboven op nog een tweede paradox bij verduurzaming. Met de mogelijkheid om onszelf deels los te maken van fossiele brandstoffen, krijgt dit mechanisme nog een andere dimensie. Ik poneer het maar als een voorlopig onbewezen stelling: elke verduurzaming van de energievoorziening bij individuele bedrijven of huishoudens zorgt voor gelijkblijvend verbruik van die energie of zelfs verhoging.

We staan met z’n allen in deze spagaat. We investeren in besparingen maar we verbruiken meer. We subsidiëren miljarden in windturbines maar het aandeel duurzaam stokt.

Ik merk het bij mezelf. Zolang ik maar genoeg zonnepanelen heb, maakt het niet uit hoeveel ik gebruik. De warmtepomp gebruikt geen fossiele brandstoffen dus mag het in de huiskamer behaaglijk zijn. Dat aspect maakt het in de toekomst nog lastiger om er voor te zorgen dat wij met z’n allen meer besparen. Want laten we wel wezen, we zijn er nog lang niet. En door het gevoel duurzaam te leven onder een dak vol zonnepanelen, zijn niet alle aspecten van klimaatdoelstellingen afgevinkt. Verre van.

We staan met z’n allen in deze spagaat. We investeren in besparingen maar we verbruiken meer. We subsidiëren miljarden in windturbines maar het aandeel duurzaam stokt.

Is er een weg uit deze paradox? Jazeker, maar dat begint als we globale klimaatopgaven weten te vertalen naar aspecten van het individueel gedrag van ons bedrijf of onze huishouding. Dat gaat dus verder dan energie besparen en duurzaam opwekken.

Als dat duidelijk wordt, weten we pas echt wat we moeten doen. Het postulaat van Khazzoom–Brookes kan daarna rustig worden bijgezet in het museum van oude wetmatigheden.

De Kommissaris en de Gouddollers

(eerder verschenen in Friesch Dagblad, 2 juni 2017)

Het wil maar niet vlotten met het vormen van een nieuwe regering. In sommige landen raakt men al in paniek als er niet daags na een verkiezingsavond een bordes vol met ministers klaar staat om benoemd te worden. In Nederland wordt na weken van stille verkenningen lafjes de handdoek in de ring gegooid en wordt een vakantie ingepland om alles te laten ‘bezinken’. Natuurlijk, het land blijft wel bestuurd worden – we zijn tenslotte gewend geraakt aan lange formaties – maar juist op belangrijke thema’s wordt geen meter vooruitgang geboekt. Zeker op het gebied van klimaatafspraken.

In Frankrijk gaat het meteen van acquit. De kersverse jonge president Macron begrijpt wat nodig is in het belang van heel Frankrijk en in een week verzamelt hij een kleurrijke, breedgeschakeerde regering om zich heen. De centrum-rechtse Édouard Philippe als verbindende premier en de schrijver/journalist Nicolas Hulot als ‘Ministre de la Transition écologique et solidaire’ – vrij vertaald de minister van de duurzame en gemeenschappelijk transitie. In dat ministerie is ook Energie ondergebracht, een in Frankrijk belangrijk departement.

Macron ziet als geen ander dat verschillen in opvattingen een plek moeten hebben op het hoogste regeringsniveau. Minister Hulot staat in Frankrijk bekend als militante milieu-activist en zal aan de regeringstafel gaan vechten voor het belang van milieu en klimaat. De urgentie straalt er van af – voor- en tegenstanders weten waar ze aan toe zijn.

Dat is leiderschap. Je kan zeggen dat Macron het zich makkelijk gemaakt heeft: hij heeft geen achterban met loze beloften opgezweept en heeft de verkiezingsretoriek van anderen kunnen weerstaan. Maar hoe anders is het hier in Nederland. Er is niemand in de kabinetsformatie – met minister-president Rutte voorop – die uitgaat van algemeen belang. Men blijft op de eigen belangen zitten en wil zo weinig mogelijk weggeven. Het is kwartetten met zelfbenoemde troefkaarten. Dat is al lastig spelen – het heeft met regeren niets te maken.

In Fryslân hebben we een nieuwe commissaris van de Koning, Arno Brok. In één van zijn eerste publieke optredens gaf hij een voorbeeld van leiderschap waar ze in Den Haag nog wat van kunnen opsteken.

Bij de opening van het coöperatieve zonnepark bij Garyp, hield hij een speech die doordesemd was van het besef van algemeen belang. Hij nam Garyp tot voorbeeld voor de wijze waarop zonneparken tot stand moeten komen: van, door en voor de lokale gemeenschap. Hij nam daarbij in niet mis te verstane bewoordingen afstand van de (buitenlandse) projectontwikkelaars die als sprinkhanen door Fryslân vliegen op zoek naar grote lappen grond om met subsidies zonnepanelen op neer te leggen. Daar ligt een zeer aanlokkelijk verdienmodel voor de korte termijn aan ten grondslag. Alleen liggen de lasten daarvan langjarig bij de dorpen, bij de omwonenden. In deze krant kunt u hier bijna wekelijks lezen over dorpen die overvallen worden door grootschalige plannen.

Ik vind het getuigen van broodnodig leiderschap dat deze commissaris direct vanaf het begin van zijn ambtsperiode de toon zet in deze discussie. Zijn boodschap aan de projectontwikkelaars op zoek naar goud – de gouddollers – is simpel en niet mis te verstaan: alleen een lokale gemeenschap zoals die in Garyp heeft pas echt het goud in handen.

Zij bepalen met wie ze delen.

 

‘Onze’ kolencentrale

Natuurlijk was het een publiciteitsstunt, de openbare aankondiging van een energieleverancier om de Hemweg-centrale in Amsterdam te kopen van de Nuon. En bekende Nederlanders die zich graag met duurzaamheid afficheren gingen er met boter en suiker in – een Amsterdamse wethouder bood spontaan een miljoen gemeenschapsgeld mee, net als een hip (en kennelijk te duur) chocolademerk. De onvermijdelijke crowdfundingsactie loopt nog.

De gedachte was dan ook te aantrekkelijk: als we gezamenlijk een kolencentrale kopen dan kunnen we die daarna gewoon sluiten. Weg met kolen, lang leve het klimaat op aarde en het milieu in Amsterdam! Hoe loffelijk en simplistisch deze oplossing ook lijkt, het legt alleen een groot onderhuids probleem bloot.

Hoezeer wij als samenleving nu de behoefte hebben – en zelfs de plicht – om grote stappen te zetten richting een duurzame energievoorziening (en, niet te vergeten, een gezonde leefomgeving in Amsterdam-West); sluiten van de centrale kan niet zomaar. Wetten die eigendom beschermen, afgegeven kolenstook-vergunningen en afspraken met personeel staan het domweg in de weg. Zomaar openbaar een klein bedrag bieden op grote delen van een bedrijf is daarbij op zijn zachts gezegd niet aardig. Wat een reclamebureau of een groepje zelfverklaarde duurzaamheidgoeroe’s ook beweert.

Het is overigens niet dat Nuon de kolencentrale per se wil behouden. Hemweg greep naast de subsidiepot die voor kolencentrales was neergezet en daarmee is de centrale de komende jaren niet erg rendabel. Het heeft het liefst de komende jaren honderden miljoenen subsidie, net zoals een aantal concurrenten afgelopen jaar heeft gekregen.

Maar het grootste probleem zit ‘m niet in de centrale en de bedrijfsvoering. Het probleem zit ‘m in ‘we’.

Als ‘we’ deze kolencentrale zouden kopen, of zelfs meteen sluiten, dan moeten we eerst bedenken wie ‘we’ zijn. Het lijkt me niet zo goeie gedachte dat de Nuon als eigenaar wordt ingeruild voor een andere leverancier of een willekeurig groepje activisten met goede-doelen-gelden. Als het gebeurt dan moet dat als samenleving gedaan worden.

En ja, die samenleving die hebben we eigenlijk al, we noemen dat al eeuwen overheid. En die gedachte om gezamenlijk te beslissen over het lot van kolencentrales is niet nieuw. Vroeger waren grote centrales in handen van de samenleving – in eigendom van provincies en gemeenten. Toen waren ‘we’ er eigenaar van en konden ‘we’ er over beslissen. Een Amsterdamse wethouder kon aan een plan werken om de Hemweg-centrale te ontmantelen. De gemeenteraad kon er over beslissen.

Juist in een transitie is het van belang dat de samenleving dergelijke beslissingen kan forceren. Bepalen wat wordt gebouwd en wat vervroegd wordt afgebouwd. Waar windmolens komen en waar we gebruik van fossiele energie een halt toe roepen. Maar in onze doorgeschoten neo-liberale wereld hebben we geen zeggenschap meer over onze energievoorziening. Dáár zit het probleem, dát moeten we veranderen. En niet lukraak bieden op fossiele restanten.

Het begint met zeggenschap. Op dit moment is het zo dat bij wijze van spreken Zweedse kiesgerechtigden meer over een eventuele sluiting te zeggen hebben dan een wethouder van de gemeente Amsterdam. De Hemweg centrale is van de Vattenfall/Nuon en daarmee in eigendom van de Zweedse staat. Het bizarre feit doet zich dus voor dat deze kolencentrale wel in handen is van de samenleving.

Alleen niet de onze.

Klimaatkonijn

[UPDATE: het lijkt er op dat Arjen Lubach in Zondag met Lubach aan mijn oproep gehoor heeft gegeven.]

De verkiezingen hebben een geschakeerd beeld opgeleverd in de kamer. Op veel vlakken zijn brede coalities nodig om wetgeving van de grond te krijgen. Hoe lastig ook, hopelijk zorgt dat voor betere discussies dan die waar wij de afgelopen 5 jaar op getrakteerd werden in een rigide tweepartijenkabinet met slaafse kamerfracties.

De vraag is nu of bij oplossingen voor het klimaatprobleem makkelijk te vormen coalities mogelijk zijn. De verschillen lijken groot.

In bijna elke verkiezingsprogramma was wel een klein hoekje voor het klimaat ingeruimd. Maar op een paar oprispingen van kleine partijen na, waagde in de verkiezingstijd geen politicus van de grote partijen zich in een discussie over het klimaat en de noodzakelijk grote aanpassingen in de energievoorziening. En te vaak werd eerder gesproken van ‘ambitie’ dan van ‘opgave’. Te snel werden de aardbevingsdrama’s in Groningen aangegrepen om niet over gerelateerde probleem te hoeven praten. Liever sprak men over percentages in ‘2050’ dan over daden in 2017.

Het nieuw te vormen kabinet zal echter vergaande maatregelen moeten nemen die Nederland in lijn brengt met het klimaatakkoord van Parijs. Dat wordt een enorme klus.

Oud-minister Ed Nijpels is nu de bewaker van het Energieakkoord, de afspraak waar zowel bedrijfsleven als organisaties als Greenpeace hun handtekening onder zetten. Nijpels is een VVD’er die niet bang is om in duidelijke taal te stellen wat nú nodig is. Daags na de verkiezingsdag schoof hij samen met Marjan Minnesma, directeur van duurzaamheidsorganisatie Urgenda, aan bij tv-programma Nieuwsuur. We zagen een uniek één-tweetje tussen actievoerster en VVD-prominent – met deze kwalificatie alleen doe ik overigens beiden te kort. Gezamenlijk brachten zij de noodzaak om het klimaat te redden én de kansen die dat voor het bedrijfsleven biedt over het voetlicht.

Als iedereen ziet dat binnen de maatschappij voormalige tegenstanders zich schouder-aan-schouder kunnen verenigen achter vergaande oplossingen, moet het voor een nieuw kabinet makkelijk zijn daar een voorbeeld aan te nemen.

Ook Nijpels gaf aan verbaast te zijn over de weinige aandacht voor het klimaatprobleem en de energietransitie in de aanloop naar de verkiezingen. Tijdens de vorming van het kabinet moet dan opeens breedgedragen, noodzakelijke maatregelen worden geformuleerd. Volgens Nijpels kan het niet anders dan dat die maatregelen tijdens de formatie opeens uit de hoge hoed verschijnen. Om zijn verhaal kracht bij te zetten bracht hij het beeld naar voren van het ‘Klimaatkonijn’.

Klimaatkonijn, ik moest er even over nadenken maar dáár zitten we op te wachten. Een onschuldig konijn als symbool van kwetsbaarheid én optimisme.

Dat zou wel eens kunnen werken. Het klimaat heeft op dit moment namelijk geen gezicht; de energietransitie heeft geen logo; klimaatvluchteling is een te abstract begrip. En alle partijen en individuen die zich voor klimaat, CO2-reductie en energietransitie inzetten zijn té bont geschakeerd om in één woord gevangen te worden.

Laat een team van illustratoren, vormgevers én marketeers het Klimaatkonijn een gezicht geven en verhalen om te vertellen. Laat het Klimaatkonijn in kinderboeken en folders kinderen een goed perspectief bieden en onze generaties een spiegel voorhouden.

Klimaatkonijn. Ik zie het helemaal voor me.

Kleuter

[Column verscheen eerder in Friesch Dagblad van 3 maart 2017. Hier de PDF-versie]

Olie- en gasbedrijf Shell heeft – zo blijkt uit een prima reconstructie van Jelmer Mommers voor De Correspondent – zelf al in 1986 op papier gesteld wat de grimmige gevolgen zijn van het verbranden van kolen, gas en olie. Op basis van die feiten en toekomstscenario’s werd door Shell in 1991 een film gemaakt die De Correspondent voor ons heeft afgestoft. Dat de video een kwart eeuw oud is, zie je. Maar je hóórt de waarschuwende stem die pas veel later gemeengoed werd: klimaatverandering zal wereldwijde gevolgen hebben. Verhoging van CO2 in de atmosfeer, de stijging van de zeespiegel, grillige weerpatronen, klimaatvluchtelingen, noem maar op, alles zit in de film. Met uitzondering van de VVD – vreemd genoeg nog steeds gestuurd wordt door klimaatontkenners – is daar 25 jaar later wereldwijd consensus over, van Greenpeace tot Pentagon.

Dat die film kwam is logisch: Shell plukt in veel landen de beste studenten en wetenschappers uit de universiteiten. Daarmee is het bedrijf als geen ander in staat inzicht te geven in de gevolgen van winning en gebruik van brandstoffen. Wetenschappers in dienst van Shell deden het werk dat van verantwoordelijke werknemers verwacht wordt en deelden dat met het publiek.

De winstmachine Shell heeft echter sinds die tijd door directe lobby en door dubieuze bijdragen aan klimaatdiscussies die eigen conclusie proberen te verstoppen en te ontkrachten. Het publiek werd daarbij getrakteerd op teksten als die van topman Van Beurden in Nieuwsuur: “ik pomp alles op wat ik kan oppompen om de vraag te vervullen”.

In Nederland pompt de NAM (50% van Shell) het aardgas op. De Asser echtbank oordeelde deze week dat NAM ook aansprakelijk is voor immateriële schade door de aardbevingen in Groningen. Ook logisch, zou je zeggen. Veertig jaar lang stond iedereen te juichen rond de Grote Gaskraan en verjubelden wij de gasbaten voor een forse maar tijdelijke verbetering van de welvaart. Shell profiteerde op grote schaal mee. Nu duidelijk is dat dat schadelijk was voor mens, milieu en klimaat, moet je daar verantwoordelijkheid voor te nemen. Niet om in het gevlei te komen of voor de PR, maar omdat het normaal is, en van volwassenheid getuigt. Dat steeds weer rechters en politici er aan te pas moeten komen om Shell bij de les te houden, is van de zotte.

Het is bizar om te zien hoe de collectieve som van handelen van slimme, betrokken en verantwoordelijke werknemers leidt tot gedrag dat je van een kleuter niet accepteert.

Doen alsof je iets niet gezegd hebt; beterschap beloven en dan onder elke verantwoordelijkheid proberen uit te wurmen; zo snel mogelijk de snoeppot leeg eten; verwarring zaaien over belastende kennis.

Het is bizar om te zien hoe de collectieve som van handelen van slimme, betrokken en verantwoordelijke werknemers leidt tot gedrag dat je van een kleuter niet accepteert.

Als Shell je buurman zou zijn, zou je je wel twee keer bedenken om daar je auto aan uit te lenen. Waarom geven we dan een dergelijk bedrijf namens de samenleving de verantwoordelijkheid om kostbare grondstoffen aan onze bodem te onttrekken.

“Action now, is seen as the only safe insurance”. De voice-over van de Shell-video uit 1991 geeft ondubbelzinnig de harde conclusie die het Shell-bedrijf van 2017 zich zelf zou moeten aantrekken.

Waarom? Simpel, omdat volwassenen verantwoordelijkheid nemen.