Energiefonds – 6 punten voor een mooie start

Aan ideeën over energie is er geen gebrek. Vele dorpen en wijken in Fryslân zijn op dit moment na aan het denken over energiebesparingsmogelijkheden, zonneweides, gemeenschappelijke inkoop, eigen openbaar vervoer, wat niet al. Meer en meer in de vorm van coöperaties gaan burgers aan de slag om het woord duurzaamheid in daden om te zetten.

Gelukkig is er in Fryslân binnenkort een provinciaal instrument om deze daadkracht financieel te ondersteunen: het Fûns Skjinne Fryske Enerzjy (FSFE). Het is een BV die 90 miljoen Euro heeft meegekregen (een deel van de NUON-gelden) voor het ’wegnemen van financiële knelpunten rondom energiebesparing en duurzame energie opwekking’. Er is ’specifiek aandacht voor kleinschalige en lokale initiatieven’.

Dit klinkt goed, bepalend voor het succes is immers niet wat het fonds nodig heeft, maar wat burgers en ondernemers nodig hebben. En leidend blijft het doel: besparen en lokale productie – niet: hoog rendement op vermogen.

Voor een fonds is het makkelijker als het geld verdeeld wordt over een paar consortia – mannen in pak met spreadsheets en een professionele presentatie – in plaats van in een dorpshuizen te luisteren naar veelkleurige groepen met mooie en gedragen ideeën voor een eigen zonneweide. Dat laatste is lastiger maar het zal wel moeten.

Ik denk dat het fonds een mooie start kan maken door vanaf het begin een aantal punten ter harte te nemen:

  1. Transparant – laat het fonds open en transparant zijn vanaf het begin. Het fonds is door burgers en ondernemers bij elkaar gespaard en het zou van de gekke zijn om dat nu in handen te leggen van fondsbeheerders op afstand. Als er één fonds is dat het waard is op een duidelijke wijze gemonitord te worden en publiek verantwoording af te leggen over zijn werkzaamheden dan is het dit fonds wel. Niet achteraf maar tijdens de rit.
  2. Lokaal – laat zien dat een minimum doelstelling (zowel in aantal participaties als in fonds grootte) hoe-dan-ook lokaal gespendeerd wordt – hetzij via een lokale coöperatie hetzij in de vorm van lokale werkgelegenheid.
  3. Mix – laat financiering een mix zijn van bewezen en nieuwe technieken; laat besparing gepaard gaan met productie; laat kleinschalig bloeien naast grootschalig.
  4. Geen gekkigheid – ik gun de gedeputeerde Konst alle mogelijkheden om linten door te knippen van energie-arme wijken, het in werking stellen van nieuwe zonneweides of proefinstallaties ’Blue energy’, maar liever geen zelf-feliciterende congressen of duur drukwerk. Die hebben we genoeg gehad.
  5. Eerste hulp bij financiële onbekendheid – als er meer tijd gestoken moet worden in ondersteuning van lokale projecten en het doorrekenen van business plannen, zorg daar dan voor. Dat zijn transitiekosten die zich dubbel en dwars uitbetalen; zo krijgen we Friese dorpen en wijken die zich beter op de toekomst kunnen instellen.
  6. Inverdien’-mogelijkheid – geef burgers en bedrijven de mogelijkheid om klein te beginnen en op termijn meer participaties uit te geven. In zo’n geval zou het fonds kunnen inspringen door van meet af aan een groter deel te financieren dat geoormerkt is voor participaties van wijkbewoners.

Er is geen routeplan voor energietransities waarbij burgers en lokale ondernemers een grote rol spelen want niemand weet waar het eindigt. Maar het moet ergens beginnen.

Laat dat Fryslân zijn.