Energiemeent

(eerder verschenen in Friesch Dagblad, 6 januari 2017)
bestand-08-01-17-22-14-03Deze krant is een feuilleton begonnen over de strubbelingen bij de ontwikkeling van een zonnepark vlak bij Heerenveen (onder andere ‘Heerenveen wil aangepast plan zonnepark’ en ‘Omwonenden zonnepark laken gemeente Heerenveen’). Dat is goed, het is belangrijk dat hier aandacht voor is. In de microkosmos van die ervaringen ligt namelijk een vooruitzicht dat voor heel Fryslân werkelijkheid dreigt te worden.

Ik schets even kort de standaard verhaallijn in bullets:

  • Gemeente geeft aan projectontwikkelaar een vergunning en gebruik van grond voor een grootschalig zonnepanelenproject.
  • Project wordt gepresenteerd aan omwonenden en er wordt begonnen met de uitvoering.
  • Bewoners raken ontstemd omdat ze plotseling geconfronteerd worden met gedane zaken en geen of weinig invloed kunnen uitoefenen.
  • Gemeente stelt dat aan alle regels is voldaan.
  • Gemeenteraad voelt zich gepasseerd.
  • Bewoners worden boos op gemeente.

Dan zijn er twee mogelijke uitkomsten.

  1. Het project wordt niet uitgevoerd: verduurzaming energievoorziening komt geen stap verder; projectontwikkelaar blijft zitten met hoge aanloopkosten.
  2. Het project wordt wel uitgevoerd: de projectontwikkelaar verdient mooi; de bewoners blijven boos.

Deze verhaallijn moet een andere ontknoping kunnen krijgen. Het zou bizar zijn als dit proces tientallen keren herhaald gaat worden in heel Fryslân.

Meent – oud begrip, nieuwe invulling

Laat ik een aanzet voor een oplossing geven. Dan grijp ik terug op een oud begrip: de ‘meent’, de gemeenschappelijke weide waar vroeger de hele dorpsgemeenschap gebruik van mocht maken. De meent, vergelijkbaar met het Friese mienskar, het hart van het dorp, lijkt niet toevalligerwijs op het woord ‘gemeente’, het heeft dezelfde oorsprong.

Ik stel voor dat gemeenten – om hoofd te bieden aan grote opgaven voor lokale duurzame stroomopwekking, ‘energiemeenten’ in het leven roepen, gronden die gebruikt kunnen worden voor gemeenschappelijke energieproductie.

Ik stel voor dat gemeenten ‘energiemeenten’ in het leven roepen, gronden die gebruikt kunnen worden voor gemeenschappelijke energieproductie.

Om dat proces te begeleiden, zou tijdelijk een persoon of instelling, een ‘meentmeester’, kunnen worden aangesteld. Zo kunnen groepen burgers en lokale bedrijven, al dan niet verenigd in een coöperatie, afspraken maken over de invulling van het park. Als dat nuttig is kan zo’n coöperatie als meentmeester blijven optreden.

En de projectontwikkelaars? Die komen direct aan bod zodra de wensen van de betrokkenen duidelijk zijn. Dit geeft lokale en maatschappelijk bewuste ondernemers een betere kans om mee te doen in deze projecten.

Het gaat dus om meer dan een ‘goede landschappelijke inpassing’. Daarmee denken veel overheden hun plicht te hebben voldaan. Dit gaat verder, dit gaat om inpassing in de mienskip; de democratische wijze waarop economisch, sociaal én landschappelijk de lusten en lasten worden verdeeld. Dat proces eindigt niet bij omwonenden, het begint er.

Haalt dit niet de snelheid uit het transitieproces? Ik denk van niet. De tijd die nodig is om burgers als groep te betrekken haal je in door minder kans op bezwaren en kostbare, lange beroepsprocedures. Dat geldt zeker bij grootschalige projecten. Daarnaast kunnen geslaagde ‘meent’-projecten andere gemeenschappen enthousiasmeren.

Zoals zoveel gemeenten heeft Heerenveen vergaande plannen voor grootschalig zon. Tegelijkertijd is een aantal enthousiaste burgerinitiatieven binnen de gemeentegrenzen actief. Het zou bijzonder zijn als de gemeenteraad lering trekt uit de serie berichten uit deze krant en vól inzet op ondersteuning van deze initiatieven om te komen tot gemeenschappelijk gedragen zonnestroomprojecten. Natuurlijk, een energiemeent tover je niet een-twee-drie uit een hoge hoed. Experimenteren, zoals de gemeente Súd-west Fryslân op dit moment in IJlst doet, is nodig om te zien wat werkt en wat niet. Dit is echter wel het moment om te beginnen.

Eén ding staat vast. Als wij openbare ruimte dertig jaar lang op slot zetten met een zonnepark, dan hebben de direct omwonenden, burgers én bedrijven, het recht daarover te beslissen en te beschikken. Laten we uitzoeken of een energiemeent daarvoor een oplossing biedt.

Draagvlak – dat zijn we zelf

Het huidig instrumentarium voor de planning van windmolens en zonneakkers houdt niet over. Gemeenten regelen alles kort gezegd met een bestemmingsplan en daarna via een vergunningstraject.

Dat voldoet prima voor de aanbouw van een serre of voor de inrichting van een bedrijventerrein. Maar duidelijk niet voor de inpassing van nieuwe, industrieel ogende installaties; hoge windmolens of – in Fryslân – grote zonneweides, zo maar midden in de ruimte die we zo waarderen. Om maar niet te spreken over de Rijkscoördinatieregeling waarmee minister Kamp overal overheen walst. Dat is de grote draagvlakverdelger.

Deze week gaf B&W van Heerenveen een voorzet die denk ik de juiste kant op gaat. De gemeente geeft aan waar grotere zonneweides kunnen worden ontwikkeld. Je praat dan al snel over enkele tientallen voetbalvelden groot. Die worden bij inschrijving gegund aan projectontwikkelaars, de professionele partijen die grootschalig aan de slag gaan.

Daarnaast, en dat maakt het bijzonder, krijgt elk dorp in de gemeente Heerenveen – naar behoefte – een lap grond toegewezen die ingezet kan worden om een zonneweide voor het hele dorp op te ontwikkelen. Zeker als de grond ‘stekkerklaar’ wordt opgeleverd – dus met de juiste infrastructuur – en er een goede regeling komt voor vergunningsverlening (leges!) kan dat een prima voorbeeld zijn voor andere gemeenten.

Het probleem dat de gemeente over zichzelf afroept is wel meteen een hele cruciale: hoe laat je het dorp participeren? Hoe zorg je ervoor dat het collectieve element gewaarborgd blijft? De gemeente stelt dat het de mogelijkheid wil geven aan lokale energiecoöperaties – daar heeft ze er al drie van in het midden. Dat klinkt goed en iedereen heeft wel redelijk voor ogen hoe dat er uit zou moeten zien: breed gedragen club vrijwilligers met een ervaren bestuur, een paar jonge, ondernemende mensen en aarding in het bestaande verenigingsleven.

Maar ja, een coöperatie kan iedereen oprichten. En hoe weet je als gemeente zeker dat je te maken hebt met een coöperatie waar je langjarig mee in zee wil. Die coöperatie kan namelijk ook gevormd worden door twee snelle jongens die verder weinig op hebben met het dorp. In dat geval krijg je geheid ruzie in het dorp. Je zou ook Plaatselijk Belang – als vertegenwoordiger van het dorp – die taak in de maag splitsen. Maar ja, die zitten waarschijnlijk ook niet te wachten op nog meer werk als vrijwilliger; werk waar ze vaak ook niet de kennis of affiniteit mee hebben. Als gemeente zelf een coöperatie oprichten, zo van boven af, of door inschakeling van een hip Amsterdams bedrijf? Hoe-dan-ook geen goed idee.

Gelukkig is er in de Angelsaksische traditie een serie regels, de Rochdale Principles, die beschrijven hoe een echte coöperatie er uit zou moeten zien. In het kort: autonoom, democratisch, open, sociaal en, natuurlijk, lokaal & duurzaam. Met een kleine groep coöperaties ben ik bezig die als leidraad te gebruiken, en aan te passen naar de Friese dorpen. Deze idealen kunnen we onszelf en anderen voorhouden én naar werken – dat biedt meteen ook houvast voor gemeenten met de goede plannen zoals Heerenveen. Zo kunnen we korte metten maken met de te vaak gehoorde verzuchting van bestuurders dat ‘draagvlak ontbreekt’.

Draagvlak? Dat regelen we zelf. Wat zeg ik, dat zijn we zelf.